De stichting Postdoctorale Beroepsopleiding Orthopedagogiek Randstad (PDBO Randstad) bestaat sinds 1995 en is een samenwerkingsverband op het gebied van de orthopedagogiek waarin deelnemen docenten die verbonden zijn aan de Universiteit van Amsterdam (UVA), de Vrije Universiteit Amsterdam (VU), de Universiteit Utrecht (UU) en de Leidse Universiteit (UL).

De PDBO Randstad is sinds haar oprichting actief op het gebied van opleiding en bij- en nascholing voor (ortho)pedagogen in de hulpverlening. De PDBO Randstad stelt zich ten doel het (doen) bevorderen van de kwaliteit van het beroepsmatig handelen van universitair opgeleide orthopedagogen, daaronder tevens begrepen andere sociaalwetenschappelijk geschoolde beroepsbeoefenaren in het orthopedagogisch werkveld. De stichting tracht dit onder meer te bereiken door het (doen) aanbieden van postdoctorale beroepsopleidingen voor universitair opgeleide orthopedagogen; het (doen) opzetten van activiteiten die deze opleidingen ondersteunen zoals studiedagen, conferenties, publicaties en dergelijke.

Aanvankelijk werden er, conform het registratiesysteem van de beroepsvereniging NVO, opleidingen aangeboden welke opleidde tot de verschillende registratie van de beroepsvereniging zoals de BBR-A (beroepsbekwaamheidsregistratie Algemeen), BBR-D (beroepsbekwaamheidsregistratie Diagnostiek) en BBR-B, beroepsbekwaamheidsregistratie Behandeling). Sinds 2003 wordt de 2-jarige postmaster opleiding aangeboden welke opleidt tot het niveau voor opname in het register orthopedagoog-generalist van de beroepsvereniging NVO. Werd er eerst alleen in Leiden opgeleid, door toename van het aantal aanmeldingen voor de opleiding, wordt er sinds 2010 ook op locatie Amsterdam een opleiding verzorgd. Sinds de start van de opleiding tot orthopedagoog-generalist heeft de stichting dan ook al meer dan 200 orthopedagoog-generalisten opgeleid.
De stichting PDBO Randstad is een CRKBO-geregistreerde instelling. Op de website worden de hoofdlijnen van de opleiding weergegeven. Hierbij is rekening gehouden met de wetgeving met betrekking tot de orthopedagoog-generalist zoals die vermeld is in het Koninklijk besluit opleidingseisen orthopedagoog-generalist 2019-318.

Wettelijke besluiten en landelijke regelgeving

De opleiding tot orthopedagoog-generalist is een postmaster beroepsopleiding, die vanaf 2020 opleidt tot het beroep van orthopedagoog-generalist[1] volgens artikel 3 van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG; Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 1993) zoals vastgelegd in het Opleidingsbesluit OG.


Cursorisch onderwijs

In het onderwijs wordt vanzelf sprekend rekening gehouden met de inhoudelijke eisen die vanuit de wetgeving gesteld zijn. Het Besluit orthopedagoog-generalist stelt eisen aan de onderwerpen waaraan aandacht moet worden besteed. Dit betreft de orthopedagogische diagnostiek ten aanzien van de zorgvrager en zijn opvoedings- en ontwikkelingscontext en het toepassen van orthopedagogische behandelingsmethoden en begeleiding ten aanzien van de volgende categorieën van personen:

  1. kinderen en jeugdigen en diegenen die betrokken zijn bij hun opvoeding en ontwikkeling; en
  2. volwassenen met een orthopedagogische zorgvraag. 

In het curriculum worden deze onderwerpen vaak in onderlinge samenhang binnen verschillende blokken behandeld. Dit maakt dat onderstaand schema mogelijk niet geheel recht doet aan het geboden wordt in het cursorisch onderwijs. In het schema is aandacht besteed aan de onderwijsblokken tegen het licht van de beroepscompetenties.

Blokken in het cursorisch onderwijs

  • Hulpverleningskader algemeen
  • (orthopedagogische) diagnostiek en behandeling:
  • Werkvelden (Jeugdzorg, Gehandicaptenzorg, Onderwijs, LVB, GGZ)
  • Interdisciplinaire samenwerking
  • Werken en begeleiden
  • Professionalisering
  • Wet zorg en dwang

Praktijkopleiding

Het praktijkdeel van de opleiding, de werkervaring, heeft een totale omvang van 2790 uur (inclusief praktijk- en werkbegeleiding) en vindt plaats bij een door de hoofdopleider erkende praktijkopleidingsinstelling.

De werkervaring binnen de praktijkopleidingsinstelling is gespreid over ten minste twee jaren en maximaal vier jaren en wordt in elk geval opgedaan met de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van orthopedagogische behandelings- en begeleidingsmethoden in opvoedings- en ontwikkelsituaties en in afhankelijkheidsrelaties.

In het praktijkdeel staat het leren en werken in de praktijk en de reflectie daarop centraal. De opleidingsdeelnemer is in opleiding in de praktijk en ontvangt in deze setting praktijkonderwijs in de vorm van het oefenen met (nieuwe) vaardigheden, toepassen van kennis en reflectie op het eigen handelen. De feedback ontvangt de opleidingsdeelnemer van professionals te weten de praktijkopleider en de werkbegeleider, én van de supervisor. De evaluatie en beoordeling van de praktijkopleiding vinden plaats in de praktijkopleidingsinstelling onder verantwoordelijkheid van de praktijkopleider, die hiervoor gemandateerd is door de hoofdopleider. De uiteindelijke beoordeling ligt bij de hoofdopleider.

Naast de dagelijkse praktijkwerkzaamheden is er tijd voor studie, reflectie en het maken van verslagen. De werkervaring wordt opgedaan aan de hand van een bij de start van de opleiding gemaakt individueel opleidingsplan onder begeleiding van het begeleidingsteam (praktijkopleider, werkbegeleider, supervisor).


Toetsing

Toetsen en beoordelen is een belangrijk middel om competentiegericht op te opleiden. In een competentiegerichte opleiding wordt toetsen benaderd als integraal onderdeel van het onderwijsleerproces. In een competentiegerichte opleiding is de toets geen eindpunt ná het leerproces, maar wisselen toetsen en leren elkaar voortdurend af, en versterken elkaar. Er is dus zowel sprake van formatieve als summatieve toetsen.

Toetsing in het cursorisch onderwijs:

Toetsinstrument

Omschrijving

Vaardigheidstoets

In het theoretisch onderwijs oefent de opleidingsdeelnemer met specifieke vaardigheden, die in een veilige onderwijsomgeving getoetst kunnen worden. Denk aan gesprekstechnieken of specifieke technieken voor het aangaan van alliantie door middel van video-opnames of rollenspellen.

Inzicht-/toepassingstoets

Een toets erop gericht om te beoordelen of de opleidingsdeelnemer in voldoende mate de kennis en vaardigheden kan toepassen in de praktijk. Voorbeelden zijn casustoetsen of het beoordelen van onderzoeken of orthopedagogische verslagen maar ook reflectieverslagen.

Kennistoets

De opleidingsdeelnemer moet bepaalde kennis beheersen om adequaat te kunnen handelen. Denk aan bepaalde interventies, theorieën etc. Een literatuurtoets of presentatie kan hier een voorbeeld van zijn.

 

Toetsing in de praktijkopleiding

Toetsinstrument

Omschrijving

KBS-toets

De KBS-toets is een observatiebeoordeling van de opleidingsdeelnemer die in de dagelijkse praktijk wordt uitgevoerd. Ook overlegsituaties, teamoverleg en cliënten-/multidisciplinaire besprekingen kunnen hiermee worden getoetst. De kenmerkende beroepssituatie wordt voor- en nabesproken en er worden leerpunten geformuleerd. Het initiatief tot het afnemen van een KBS-toets kan zowel door de opleidingsdeelnemer als door de opleider worden genomen, maar in principe is de opleidingsdeelnemer verantwoordelijk.

Individueel opleidingsplan

In het individueel opleidingsplan (IOP) formuleert de opleidingsdeelnemer zijn persoonlijke ontwikkeling door het opstellen van persoonlijke leerdoelen, daaraan gekoppeld de taken en werkzaamheden die zij uitvoert en op welke wijze zij hierbij feedback ontvangt.

Geschiktheidsbeoordeling

In de geschiktheidsbeoordeling vanuit de praktijk geeft de praktijkopleider een oordeel over het functioneren van de opleidingsdeelnemer aan de hand van een competentiescore, het portfolio, bewijsstukken (waaronder de KBS-toetsen) en de zelfreflectie. Deze vindt aan het einde van het eerste en tweede jaar van de opleiding plaats.


Daarnaast zijn er ook ontwikkelingsgerichte (formatieve) documenten die gebruikt kunnen worden en die opgenomen kunnen worden in het portfolio van de deelnemers:

  • 360-graden feedback (een methode waarbij aan een aantal betrokkenen op de werkplek wordt gevraagd het functioneren van de opleidingsdeelnemer volgens een vast format te beoordelen. Onderwerpen als professioneel gedrag en samenwerking kunnen hiermee in kaart worden gebracht).
  • Referaten (hierbij wordt op systematische wijze een artikel of een onderwerp besproken en becommentarieerd)
  • Portfolio (geeft sturing aan het leerproces. Het bevat het Individueel opleidingsplan (IOP) en is een verzameling van informatiebronnen en ontwikkelingsgerichte en selectieve beoordelingsgegevens op basis waarvan leerdoelen geformuleerd kunnen worden en (zelf)reflectie op het functioneren van de orthopedagoog-generalist kan plaatsvinden. Tevens worden hierin verplichte onderdelen afgetekend en toetsuitslagen verzameld. Het portfolio speelt na het eerst en tweede opleidingsjaar een cruciale rol in de selectieve beoordeling).


Bestuur
Prof.dr. E. van Lieshout (voorzitter)
Prof.dr. P.H. Vedder (penningmeester en secretaris)
Prof.dr. A. van der Leij
Mw.prof.dr. M. Jongmans

Hoofdopleider
Mw. dr. K. van de Vijfeijken